Zijn verwachting is dat de tijd waarin ontwikkelaars met grote producties snel winst konden maken, niet snel terug zal keren. Voor de lokale overheden ziet hij mede daardoor mogelijkheden om meer regie te voeren. Net als in de jaren ’80. Via wooncontingenten bepaalde de gemeente toen waar wat werd gebouwd op basis van de lokale behoefte. Woningcorporaties doen daarbij de sociale kant van de ontwikkeling en projectontwikkelaars de commerciële kant. Volgens mij is dat een stap te ver terug, want dat was ook een tijd waarin corporaties grote subsidiestromen ontvingen en dat lijkt mij geen reële verwachting.
Sloopmotieven
Daarnaast refereerde hij aan zijn onderzoek naar sloop en sloopmotieven. Dat gezien de beperkte ruimte in Nederland, de doorzettende gezinsverdunning en de huidige economische bijstelling, de keuze vooraf aan sloop écht moet gaan over de technische kwaliteit van een woning. De woonkwaliteit is volgens Thomsen ook middels een renovatie veelal te verbeteren. Het voorkomt kapitaalvernietiging en is altijd duurzamer dan slopen. Op mijn vraag ‘wat dat betekent voor de toenemende behoefte aan woonoppervlakte per woning’ was hij duidelijk. Die ontwikkeling zal zich stevig neerwaarts moeten bijstellen. Hoe dat aansluit bij de Zaanse woonbehoefte blijft nog de vraag.
Zijn gedachtegang is echter helder en een goede prikkel om binnenstedelijke ontwikkeling scherp te blijven bezien. Dat we bij nieuwbouw duurzaam moeten bouwen en daarbij ook moeten denken aan een veel langere levensduur dan de huidige 50 jaar, onderschrijf ik.